Kan onze vispas­seer­baarheid ermee door?


Indiendatum: 31 aug. 2020

Breda, 30 augustus 2020

Vragen (conform artikel 60 Reglement van Orde), van de fractie van de Partij voor de Dieren Brabantse Delta aan het Dagelijks Bestuur betreffende vismigratie en vispasseerbaarheid.


Geacht bestuur,

In een alarmerend artikel dat Trouw publiceerde op 29 juli jongstleden, lezen wij dat populaties trekkende zoetwatervissen in vijftig jaar met liefst 93 procent zijn afgenomen in Europa.[1] De genoemde oorzaken hiervan zijn ook in Nederland terug te vinden. Een andere fractie is ons reeds voorgegaan in het stellen van vragen hierover, wij hebben nog een aantal aanvullende vragen.

De volgende vragen hebben betrekking op vispassages binnen ons waterschap.

  1. Hoeveel vispassages zijn er in totaal in gebruik in waterschap Brabantse Delta?
  2. Wij lezen dat er sinds 2004 bij 17 vispassages onderzoek is gedaan naar de effectiviteit, plus een aantal extra inventarisaties. Wij vermoeden dat dit onvoldoende is om een statistisch betrouwbare en representatieve steekproef te kunnen vormen om écht uitspraken te doen over de werkzaamheid van onze vispassages. Hoe kijkt u hier tegenaan?
  3. Hoe zou Brabantse Delta een vollediger beeld kunnen krijgen van de effectiviteit van vispassages? Bent u ertoe bereid hier verder onderzoek naar in te stellen?
  4. In reactie op vragen van Ons Water/Waterbreed antwoordt u niet duidelijk over de intentie om mee te willen doen aan de APK voor vispassages van Arcadis[2]. U zegt in 2021 tijdens een ambtelijke bijeenkomst uitleg te zullen krijgen over de APK, maar u geeft niet aan waar dit toe dient. Is dit bedoeld om daarna te beslissen of Brabantse Delta zich hier inderdaad bij aansluit, of is het puur informatief? En wij zijn het met u eens dat er vaak meerdere manieren zijn om iets dergelijks aan te pakken, waardoor de APK van Arcadis wellicht niet automatisch de juiste keuze is. Wij zien echter nu niet duidelijk in wat uw actieplan is. Hoe gaat Brabantse Delta ervoor zorgen dat de werking van vispassages op een betrouwbare manier gemeten wordt?
  5. Wat wordt er gedaan wanneer een vispassage niet of onvoldoende blijkt te werken?
  6. Kan het niet of onvoldoende werken van een vispassage directe aanleiding zijn voor aanpassing of vervanging, of wordt dit enkel opgepakt als ‘meekoppelkans’ in grotere projecten?

Wij hebben ook een aantal vragen die niet gaan over vispassages, maar die minstens zo belangrijk zijn met betrekking tot vismigratie.

  1. Is er in Brabantse Delta sprake van visserijvrije zones (wij doelen hiermee ook op sportvisserij) op plekken die kwetsbare punten vormen voor de vismigratie? Zijn er plekken te identificeren die daarvan zouden profiteren wat betreft vismigratie?
  2. Is er binnen Brabantse Delta sprake van obstakels voor de vismigratie die geen functie meer hebben, zoals ongebruikte gemalen? Heeft het waterschap deze in kaart, en zijn er plannen om deze op te ruimen?

Ten slotte hebben wij vragen over het sluiten van vispassages in tijden van droogte.

  1. Wij begrepen dat er dit jaar vispassages gesloten zijn vanwege de droogte. Waarom is hier voor gekozen?
  2. Welke vispassages betrof dit? Vanaf wanneer zijn ze gesloten en wanneer zijn ze weer open gegaan?
  3. Waren er andere maatregelen die het waterschap in de omgeving had kunnen nemen om te voorkomen dat vispassages gesloten hoefden te worden? Zo ja, waarom is hier niet voor gekozen?
  4. Welke afweging wordt er gemaakt alvorens wordt besloten vispassages te sluiten vanwege droogte?

Wij vernemen graag uw reactie.

Met vriendelijke groet,

Cynthia Pallandt

Ellen Putman


Partij voor de Dieren


[1] https://www.trouw.nl/duurzaamheid-natuur/een-dramatische-afname-van-zoetwatervissen-door-dammen-stuwen-sluizen-en-vervuiling~b4f975a6/

[2] https://ris2.ibabs.eu/Reports/ViewListEntry/BrabantseDelta/d42b6296-dfa0-4490-a4b5-ee2cf27148db

Indiendatum: 31 aug. 2020
Antwoorddatum: 22 sep. 2020

  1. In het beheergebied van het waterschap zijn 73 vismigratieknelpunten opgelost. In de meeste gevallen is dat gedaan door een stuw of bodemval te vervangen door een vispassage of naast een stuw een vispassage aan te leggen. In enkele gevallen worden stuwen periodiek platgelegd om vismigratie mogelijk te maken en in enkele andere gevallen zijn stuwen verwijderd en vervangen door bijvoorbeeld meandering bij beekherstel. Naast genoemde oplossingen zijn zeven gemalen voorzien van een visveilig opvoerwerk of een andere aanpassing om schade aan vissen als gevolg van het bemalen van water te voorkomen.
  2. De steekproef lijkt groot genoeg gezien het totale aantal aangelegde vispassages, maar de uitgevoerde onderzoeken zijn niet opgezet om op de resultaten statistische analyses uit te voeren. Daarnaast zijn er verschillende typen vispassages onderzocht in waterlopen met verschillende dimensies en afvoeren. Hierdoor zal het lastig en vermoedelijk onmogelijk zijn om op basis van deze onderzoeken voor alle vispassages statistisch onderbouwde uitspraken te doen. Niettemin zijn enkele typen vispassages op vergelijkbare locaties toegepast en onderzocht en kunnen daar wel conclusies over het functioneren van die typen aan verbonden worden. Andere typen vispassages zijn minder vaak toegepast of in sterk verschillende waterlopen en/of minder vaak onderzocht en dan zijn resultaten van de onderzoeken moeilijker te extrapoleren naar andere locaties.
    Naast het specifieke onderzoek aan vispassages geven ook visstandbemonsteringen voor de KRW, waarbij de visstand in de waterlichamen eens per drie jaar wordt onderzocht, informatie over de effectiviteit van vispassages. Zo blijkt uit deze bemonsteringen bijvoorbeeld dat bepaalde gewenste vissoorten voor de aanleg van vispassages in (delen van) waterlopen nog niet aanwezig waren, daar na aanleg gebruik van maakten en zich verder over het beheergebied verspreidden (rivierdonderpad in de Chaamse beken en winde in de Aa of Weerijs). In het landelijke project Kennisimpuls Waterkwaliteit doen de kennisinstituten Wageningen Environmental Research (voorheen Alterra) en Deltares onderzoek naar de effectiviteit van ecologische maatregelen. Hiervoor voeren zij onder andere een analyse uit op de gegevens van onze KRW-visstandbemonsteringen in de Boven Mark met als doel het effect van vispassage Bieberg op de visstand wetenschappelijk onderbouwd in beeld te brengen. De resultaten van deze analyse zijn nog niet bekend.
    Tot slot zijn er nog gegevens van vrijwilligers die voor het project “Waarnemersnetwerk Noord-Brabant” en/of lokale natuurverenigingen in en bij vispassages inventarisaties verrichten. Deze gegevens zijn (nog) niet geschikt voor statistische analyses, maar bevestigen wel de uitkomsten van onderzoeken van het waterschap over het functioneren van vispassages en bieden informatie over het functioneren van andere vispassages. Vangsten van vrijwilligers bevestigen bijvoorbeeld dat rivierdonderpad zich via vispassages over de Chaamse beken verspreid, maar laten ook zien dat deze soort gebruik maakt van de vispassages in de Molenleij en de Bavelse Leij.
  3. Eerder zijn de vispassages onderzocht met de toen gangbare methode door een fuik (net) bovenstrooms te plaatsen en daarmee de vissen op te vangen die gebruik maakten van de vispassages (voor vispassage Bieberg als pilot aangevuld met een zogenaamde Fish Counter). Dit geeft inzicht in de soorten en hoeveelheden vis die daadwerkelijk door de vispassage zwommen. Dergelijk onderzoek laat echter niet zien wat het aandeel is van de vissen die benedenstrooms van de vispassages waren en door de vispassages wilden zwemmen, maar dat niet konden. Met het toegepaste fuikonderzoek blijft inzicht in de effectiviteit van vispassages daardoor beperkt. Methoden die de afgelopen jaren (verder) zijn ontwikkeld, zoals cameraonderzoek en het voorzien van vissen van zenders, geven meer informatie over de effectiviteit van vispassages. Het waterschap zette camera’s nog niet in en de methode met het ‘zenderen van vissen’ alleen om de vispasseerbaarheid van de sifon onder het Wilhelminakanaal in Dongen te onderzoeken.
    Komende jaren worden volgens planning verschillende vispassages aangelegd en in het grootste project daarvoor is ook voorzien in onderzoek. Het waterschap wil daarbij innovatievere methoden inzetten om meer informatie over het functioneren van vispassages te verzamelen. Ook op andere locaties waar komende jaren vispassages worden aangelegd, wil het waterschap innovatieve onderzoeksmethoden toepassen.
  4. De uitleg over de APK van Arcadis in de bijeenkomst van 2021 dient enerzijds om medewerkers van het waterschap te laten zien waarop bij inspecties van vispassages moet worden gelet en anderzijds om meer zicht te krijgen in de opzet, uitvoering en resultaten van de APK. Op basis van dat inzicht wil het waterschap beoordelen of de APK voor vispassages van het waterschap meerwaarde heeft en overwegen om op een selectie of alle vispassages de APK uit te laten voeren. Overigens betreft de APK geen meting in de zin van onderzoek in hoeverre vissen gebruik maken van vispassages, maar een visuele inspectie waarbij tevens een momentopname (meting) wordt gedaan van aspecten als stroomsnelheid en diepte in vispassages.
  5. Door middel van fuikonderzoek en inspecties monitort het waterschap de werking van de vispassages.
    Bijvoorbeeld, toen uit de resultaten van fuikonderzoek twijfel ontstond over de werking van twee vispassages heeft het waterschap als volgt gehandeld. Een van deze vispassages is door het waterschap drooggezet en geïnspecteerd om beter inzicht in eventuele knelpunten te krijgen. Daarbij zijn de stortstenen in de vispassage verplaatst om de zwembaan voor vissen weer vrij te maken en is als vervolg op de inspectie het vuilrooster aan de bovenstroomse zijde aangepast, zodat er meer ruimte voor vissen is om dat rooster te passeren. Bij de andere vispassage voegde het waterschap extra kamers toe om de werking te verbeteren (de vispassage is langer gemaakt). Uit fuikonderzoek daarna bleek deze aanpassing te werken en deze vispassage voor onder andere grote vissen beter te functioneren. Naast fuikonderzoeken voert het waterschap ook inspecties van vispassages uit. In een aantal gevallen bleek daaruit dat het verval over drempels en de stroming door vispassages niet meer optimaal was. Ter verbetering van het functioneren legde het waterschap bij één vispassage een extra drempel aan. Bij verschillende andere vispassages herplaatste het waterschap stortstenen om het functioneren van die vispassages te verbeteren
  6. Vervanging is tot op heden niet nodig gebleken. Aanpassingen pakt het waterschap zo mogelijk zelf direct op (zie antwoord op vraag 5). Grotere aanpassingen worden in projecten opgepakt
  7. In het Brabantbrede visserijbeleid (vastgesteld door het algemeen bestuur op 12 juni 2013) is opgenomen “Ter bescherming van trekvissoorten mag niet worden gevist of aas worden gepresenteerd in en binnen een afstand van 50 m van de uitstroomopening en 25 m van de instroomopening van vispassages. In hetbkader van een goed visstandbeheer, maar ook in het kader van veiligheid, is vissen en aas presenteren binnen een afstand van 25 m benedenstrooms en 25 m bovenstrooms van stuwen en sluizen verboden. Bij gemalen is vissen en aas aanbieden binnen een straal van 25 meter verboden.” Deze verboden zijn opgenomen in de algemene voorwaarden bij de huurovereenkomsten voor visrechten van het waterschap. Overigens heeft de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit in de kamerbrief met kenmerk DGNVLG-V / 19264462 aangekondigd een algemene visserijvrije zone van 250m in te gaan stellen op alle locaties met vismigratievoorzieningen. Het is de bedoeling dat deze visserijvrije zones in de loop van 2021 van kracht worden en die zullen dan ook gaan gelden voor de vismigratievoorzieningen in ons beheergebied
  8. Op de aangewezen vismigratieroutes hebben de aanwezige barrières een functie voor de waterhuishouding, afgezien van enkele stuwen in de Bijloop die al voorzien zijn van een vispassage. In de watersysteemanalyse is voorgesteld om de schotbalken uit de betreffende stuwen in de Bijloop te verwijderen.
  9. De vispassages zijn gesloten om water te conserveren en om waterlopen op peil te houden. Het op peil houden van de waterlopen is nodig voor de landbouw, de (land)natuur en ook ter voorkoming van droogval, hetgeen een nadelig effect heeft op de vispopulatie.
  10. Het betreft de vispassages in de Aa of Weerijs (6 stuks) en de Kleine Beek (4 stuks) zijn gesloten medio april. Er zijn 2 vispassages in de Bijloop medio juni afgesloten en in de Molenbeek zijn op 10 augustus 2 vispassages afgesloten. Al deze vispassages zijn momenteel (4 september 2020) nog afgesloten.(figuur 1 <deze is te vinden op: https://ris2.ibabs.eu/Reports/...>)
  11. In de vrij afwaterende gebieden waar deze vispassages staan zijn geen aanvoermogelijkheden. Er was gelet daarop geen alternatief op het sluiten van de vispassages voorhanden.
  12. Voor deze afweging wordt een balans gezocht tussen diverse belangen, te weten (1) het vasthouden van water voor landbouw, landnatuur en waternatuur in de beek, (2) het voorkomen van droogval van de waterloop en (3) het zo lang mogelijk behouden van de vispasseerbaarheid. De afweging is daarmee maatwerk.
    Een voorbeeld van deze afweging is de Molenbeek. In de Molenbeek worden de vispassages gesloten indien het waterpeil onder de drempel van de stuw zakt. Bij de afweging wordt ook de weerverwachting wordt betrokken. In het geval het waterpeil onder de drempel van de stuw zakt, dan is er vrijwel geen afvoer. Om droogval te voorkomen wordt de vispassage gesloten.
    Een ander voorbeeld is de Aa of Weerijs, Kleine Beek en Bijloop. In deze gebieden worden de vispassages gesloten indien te lage afvoeren dreigen. Dit wordt gebaseerd op metingen en weersverwachtingen. Vispassages worden gesloten ten gunste van landbouw, landnatuur en ook de waternatuur. Het verschil tussen beide voorbeelden is dat er bij Aa of Weerijs, Kleine Beek en Bijloop meer geanticipeerd moet worden op droogte, omdat deze stroomgebieden gevoeliger zijn voor droogte ten opzichte van de Molenbeek.